Museum Boerhaave is een goed voorbeeld van hergebruik waardoor historische gebouwen bewaard kunnen blijven. De oudste gedeelten van het rondom een binnentuin gelegen complex behoorden tot de 15e-eeuwse kloosters St.-Cecilia en St.-Agnes. Na de Reformatie (1572) liet het stadsbestuur de panden verbouwen tot het Ceciliagasthuis, waar lijders aan de pest (tot 1635), psychiatrische patiënten (‘dollen’) en later ook gewone zieken werden verzorgd. Vanaf 1636 huurde de Leidse universiteit hier twaalf bedden voor klinisch medisch onderwijs. Hoogleraar Herman Boerhaave (1668-1738), naamgever van het gebouw, introduceerde hier het onderwijs aan studenten aan het ziekbed. Na 1852 heeft het complex verschillende andere bestemmingen gehad. In de jaren 1980 zijn de inmiddels vervallen gebouwen opgeknapt en ingericht tot het huidige museum, dat in 1991 zijn deuren opende. Opvallend aan de buitenkant is het contrast tussen het oude entreegebouw, in 1669 als turfmagazijn ontworpen door stadsarchitect Willem van der Helm, en de glazen pui van het restaurantgedeelte. Aan de kant van de Vrouwenkerksteeg is nog het oorspronkelijke toegangspoortje naar het Ceciliaklooster bewaard gebleven. Blikvanger in het museum is de replica van het beroemde universitaire anatomisch theater dat van 1594 tot 1821 in de Faliede Begijnkerk (zie pag. 35) stond. / RS